6. Dierenrollen

les dramatische vorming - een rol spelen - mime - karaktertrekken spelen - creatief spel - afspraakspelen © Walter Roozendaal - www.muzemuzette.com - klik hier voor meer informatie

Dieren raden

  • Voortzetting van het ontwikkelen van rollen.
  • Een dier uitbeelden.
  • Overwinnen spelangst in solo.

Opdracht

  • Leerlingen in zitten in een grote kring.
  • Eén kind beeldt een dier uit. De klas raadt.

Opdracht

Volgende stap:

  • Laat het dier iets doen, waaraan je het kan herkennen. Dus niet: op handen en voeten rondlopen en alleen maar piepen of blaffen, zodat je het verschil tussen een muis of een hond alleen maar kan horen en niet kan zien.

Opdracht

In verband met de rest van de les:

  • Het dier moet zich makkelijk door de ruimte kunnen voortbewegen (speciaal moeilijk voor slangen, vissen en éénbenige reigers).
  • Daarom spreken we af dat we duidelijk mensen zijn die dieren spelen: je mag gewoon op je twee benen lopen, maar laat ondertussen ook duidelijk zien en horen welk dier je bent.
    Dat gebeurt in sommige stripverhalen ook, denk maar aan Donald Duck (eend)  en Mickey Mouse (muis).
  • Het dier moet geluid maken. Wanneer je niet weet welk geluid een dier maakt gebruik je een fantasiegeluid, bijvoorbeeld bij elke stap klinkt het geluid.

Van dieren naar een rol

  • Karaktertrekken in klank en beweging omzetten.

Gesprek

Het zal niet makkelijk zijn om het begrip karaktertrekken te verduidelijken. Neem hier voldoende tijd voor.
Een invalshoek kan zijn:

  • Als jullie in een toneelstukje een moeder spelen, is dat meestal "zomaar een moeder". Maar je hebt heel veel soorten moeders: aardige, gemene, overbezorgde, strenge, slappe, enz.
  • Bedenk eens nog meer soorten moeders. Of van meesters. Of honden. Laat elk kind een voorbeeld noemen.
  • Maak verschil tussen karaktertrekken en stemmingen: een moeder die meestal aardig is, kan best een keer een boze bui hebben.

Opdracht

  • Kies een dier, dat je in deze en de volgende les blijft spelen. Geef het dier een duidelijke karaktertrek.
  • Laat de karaktertrek zien in de beweging en horen in het geluid.
    Voorbeeld: een luie koe, die loom en log beweegt en traag en diep loeit.
  • De uitbeelding van de karaktertrek is belangrijker dan de uitbeelding van het dier.

Eventueel

  • Als de leerlingen het erg moeilijk vinden kan de vraag ook omgedraaid worden: wie kan een ... (bijvoorbeeld trots) dier uitbeelden?
  • Neem ook wat minder voor de hand liggende eigenschappen als sluw, zenuwachtig, verlegen, hebberig, streng.

NB 1.
Wat absoluut niet kan zijn karaktertrekken als gek, leip, raar, idioot. Kinderen die dat noemen doen dat soms uit een soort hulpeloosheid: als je bang bent dat anderen je gek zullen vinden lijkt het een heel goede oplossing om de karaktertrek gek te kiezen. Maar het levert in de praktijk vooral chaos op, meestal niet echt interessant spel.
Bovendien is het altijd absoluut noodzakelijk om waakzaam te zijn over dit soort etiketten: ze bepalen de veiligheid, ik wil dat soort woorden in mijn les niet horen.

Gek is niet hoe iemand is, maar wat je van iemand vindt.
Wat bijvoorbeeld wel kan, is dat iemand zichzelf heel slim vindt (dus de karaktertrek slim speelt) en ondertussen per ongeluk iets doms doet. En dat kan je samen heel komisch vinden, zeker als in die rol vaker gebeurt.

Dit zijn voorbeelden van karaktertrekken, die ik uit een lijst van meer dan vierhonderd "speelbare houdingen" heb overgenomen:
koppig, minzaam, driftig, beledigd, verbitterd, haatdragend, dwars, stuurs, gemeen, vals, hautain, koninklijk, eigenwijs, bazig, slim, listig, poeslief, slijmerig, laf, leugenachtig, achterbaks, spottend, pesterig, kortaf, mopperaar, agressief, jaloers, stoer, brutaal, grof, in zichzelf gekeerd, verwonderd, teleurgesteld, verlegen, kleinzielig, aanstellerig, truttig, vermoeid, terneergeslagen, treurig, schrikachtig, bang, volgzaam, onderdanig, slaafs, dromerig, afwezig, nadenkend, schuw, verward, nerveus, rusteloos, paniekerig, ongeduldig, verveeld, onverschillig, ziekelijk, ondernemend, krachtig, trots, begerig, gierig, kien, kordaat, dapper, moedig, overmoedig, zeurderig, beleefd, openhartig, gezellig, lief, aanhankelijk, joviaal, meelevend, hulpvaardig, gevoelloos, kinderlijk, weemoedig, blij, gelukkig, uitgelaten, lacherig, giechelig, speels, melig, rustig, geduldig, verstandig, bedachtzaam, keurig, voorbeeldig, week, stout, plagerig, enz.

Dit soort karaktertrekken kunnen op kaartjes ook als spelopdracht gegeven worden.
Kinderen hebben zelf namen voor eigenschappen: "een sappie", enz.

NB 2. De vakterm speelbare houdingen moet ik toelichten.
Wanneer een leerling zegt 'Ik speel een dikke man' klinkt 'dik' niet als een karaktereigenschap. Maar als dat kind er tegelijkertijd vrolijk en gezellig uitziet, of juist sloom en vadsig, niet in beweging te krijgen --- ja dan begrijpen we wel wat er bedoeld wordt. En kan jezelf breder en zwaarder maken als speelbare houding een uitstekende basis zijn voor die karaktertrekken.
Afgezien van de vraag of 'dik' dan een aanvaardbare term is (je zal maar mollig zijn en dat soort stereotyperingen haten) kan je met de leerling zoeken naar een helderdere aanduiding van de karaktertrek. Want of mensen nou dik zijn of dun: ze kunnen alle eigenschappen van de wereld spelen.

NB 3. Eigenlijk is het fysiek vormgeven van een rol typisch iets wat mimespelers heel erg goed kunnen.

Opdracht

  • Maak drietallen, kies een plek in de ruimte om samen te werken, en vertel elkaar de karaktertrek van jouw dier.
  • Zorg dat er in het drietal drie verschillende dieren zitten.
  • En zorg er voor dat de  karaktertrekken zo veel mogelijk verschillen.
  • Wissel zonodig met een leerling uit een ander drietal.
  • Laat in het drietal aan elkaar zien hoe je dier door de ruimte beweegt en welke geluiden het maakt. Nogmaals: het mag een vermenselijkt dier zijn, dat gewoon op twee benen loopt, net als in stripverhalen.
  • Help elkaar met het zo duidelijk mogelijk uitbeelden van de karaktertrek: één doet voor, de andere twee kijken en helpen.

Laten zien

  • Terug in de grote kring.
  • Elk drietal vertelt wat hun dieren zijn, met de karaktertrekken, en laat hun dieren zien en horen.
  • Kijkopdracht: herkennen we de karaktertrek?
     
  • Onthoud je drietal, en je dier met de karaktertrek, want die gaan we in de volgende les opnieuw gebruiken.