1. Schema van een toneelstukje

dramatische vorming - creatief spel - afspraakspelen © Walter Roozendaal - www.muzemuzette.com - klik hier voor meer informatie

Onderdeel voor onderdeel bouwen we het Wie-Wat-Waar-schema op:

  • THEMA
  • DRAMATISCH CONFLICT (HET GROTE VRAAGTEKEN ? )
  • WIE
  • WAT
  • WAAR
  • MIDDELEN (SPULLEN).

Download bij dit hoofdstuk eventueel het Schema van een toneelstukje. Je houdt dan het overzicht.
Deze uitleg neemt even wat tijd en ruimte, maar is die moeite absoluut waard. De uitgangspunten zijn eigenlijk eenvoudig, ook hoe ze met elkaar samen hangen. Wanneer jij en je spelers dit begrijpen is er kans voor ontwikkeling en kwaliteit. In de hoofdstukken hierna volgen concrete les- en spelsuggesties.

Op de vorige pagina schreef ik: van elk toneelstukje kan je zeggen:

  • op het toneel, op een plek (WAAR)
  • ontmoeten rollen elkaar (WIE)
  • en dan speelt zich een verhaaltje af (WAT).
Wie Wat Waar en meer 1

Ik voeg er nu aan toe:

  • waarbij iets spannends moet worden opgelost (DRAMATISCH CONFLICT - HET GROTE VRAAGTEKEN?).

En dat is één van de geheimen onder boeiend toneelspel. De vakterm daarvoor is: dramatisch conflict. Ik begin daar mee, daarna kom ik toe aan het onderwerp 'werken met een thema', dat eigenlijk als eerste bovenaan in het schema staat.

Dramatisch conflict: Het Grote Vraagteken (?)

Elk verhaal, dus ook elk toneelstukje, heeft iets nodig dat het spannend maakt. En liefst zó spannend, dat het publiek het de moeite waard vindt om te blijven kijken!

Gevechten en achtervolgingen, clownerie en erotiek

Beginnende spelers zijn daar tamelijk hulpeloos in. Je ziet dat aan de ontsporing: kinderen maken stukken met eindeloze gevechten en achtervolgingen, of één kind gaat de clown uithangen en de rest hangt er een beetje bij. Dat is heel even een suces, maar daarna haakt een klas af. Volwassenen hebben nog een extra mogelijkheid: ze grijpen naar erotiek die net een beetje over de grens gaat om succes te hebben.

Het zijn allemaal begrijpelijke pogingen om spanning te creëren. Goedbedoelde pogingen, alleen jammer van dat afhaken...
Misschien moeten we ook in aanmerking nemen, dat samen een spel spelen zoals je dat op de speelplaats eindeloos kan blijven doen (mèt die gevechten en achtervolgingen) iets anders is dan vertoonbaar toneel.

Het geheime antwoord: Het Grote Vraagteken (?)

Dramatisch conflict betekent niet automatisch ruzie. Het is de vakterm voor dat, wat in het toneelstuk de spanning creëert, datgene wat vraagt om een oplossing. Bedenken hoe je samen de hoofdprijs van een miljoen gaat besteden kan net zoveel spanning opleveren als een ruzie tussen kinderen en hun moeder..

Wie Wat Waar en meer 2

Aan kinderen leg ik uit, dat elk toneelstuk een geheim heeft. Dat geheim noem ik: Het Grote Vraagteken.

Het Grote Vraagteken (?)

  • is wat het verhaal spannend maakt,
  • het is de motor achter het verloop
  • zodat het publiek denkt: "O - o, hoe loopt dat af ???"
    -
    vandaar dat GROTE vraagteken (?).

En dat is dus wat kinderen vanaf een jaar of 10 kunnen leren: dat elk toneelstukje spannend moet zijn, maar niet (alleen) door die gevechten en achtervolgingen en gekdoenerij. Daar heb ik aan aparte les over ontworpen: Gevechten en achtervolgingen.
En tegen leerkrachten zeg ik nog (en dat leg ik verderop uit):

  • Het dramatisch conflict concretiseert het thema.
  • Het wordt zichtbaar in de onderlinge relaties.
  • Wanneer leerlingen beseffen dat hun stuk draait om het dramatisch conflict hunnen ze hun stukken kort en krachtig maken (ik gebruik die term 'kort en krachtig' veel in mijn spel-opdrachten).

Evaluatievraag na de vertoning: wat was 'Het Grote Vraagteken' in dit stuk? Hoe merkte je dat?

Thema

Het werken met en vanuit thema's is in het onderwijs de afgelopen tien jaar steeds belangrijker geworden.
De vraag is dan, hoe je vanuit je thema toneelspel kan ontwerpen. Bij een thema als 'water' zou je als bewegingsexpressie zeker iets kunnen uitbeelden met golven en stromen, maar levert dat interessant toneelspel op? Want voor interessant spel heb je dat spanning gevende element, het dramatisch conflict nodig.

Dat is dus precies de verbindende stap: wat voor spannende concrete situaties kan je bedenken bij je thema? Wat geeft spanning en moet worden opgelost? Iets waar alle rollen uit je verhaal mee te maken hebben?

Bijvoorbeeld: wat gebeurt er wanneer er geen water meer uit de kraan komt? Hoe gaan de leden van een gezin daar mee om? Of de leden van de gemeenteraad? Of de baas van de waterleiding?

Het dramatisch conflict maakt van het (abstracte) thema een concrete situatie. En iedere rol uit het stuk reageert daarmee op het spanning gevende element èn op elkaar. Dus: het dramatisch conflict concretiseert het thema, en wordt zichtbaar in de onderlinge relaties.

Dan zijn we nu toe aan de bekende onderdelen, als Wie, Wat en Waar.

Wie

Stel je voor: je speelt de rol van een moeder, of juf. Bij kinderen kan ik dan altijd voorspellen wat voor moeder of juf dat wordt. Gemeen! Streng! Altijd de baas spelend!
Ik leg dan uit dat dat wel even leuk is, maar op den duur toch wat gaat vervelen. Bovendien is het kind dat de moederrol heeft altijd in haar eentje tegenover de rest van de groep, dus hoe streng en gemeen ze ook doet, ze verliest het eigenlijk altijd...

Bovendien: zijn alle moeders en juffen zo streng en gemeen?
Ik ken er heel wat die heel anders zijn...
Hoeveel soorten moeders kan je bedenken?
Ooit vond ik in een handboek een lijst met enkele honderden 'speelbare houdingen'. Allemaal woorden voor karaktertrekken. En dat is het tweede geheim voor een boeiend toneelstukje: dat je elke rol altijd voorziet van minimaal één duidelijke karaktertrek.

Daarbij werkt het vooral goed wanneer je

  • een rol niet de meest voor de hand liggende eigenschap geeft (een verlegen politieagent is misschien wel veel interessanter dan een doortastende),
  • bij de rolverdeling er voor zorgt dat de karaktertrekken van de rollen zo veel mogelijk verschillen (een boze, een kwade en een agressieve rol in één stuk geeft niet zoveel variatie)
  • je de eigenschap voortdurend heel duidelijk blijft spelen: je moet de eigenschap als een vast gegeven altijd kunnen horen (stem)  en zien (houding en bewegingspatroon).

Tegen kinderen zeg ik: WIE gaat dus over

  • de rollen,
  • met ieder een eigen karaktertrek,
  • die je kan horen en zien (ik gebruik die term 'horen en zien' veel in mijn spelopdrachten).

    Wie Wat Waar en meer 3Rollen reageren op elkaar vanuit hun rol (bijvoorbeeld moeder t.o.kind) maar vooral vanuit hun eigenschappen (bijvoorbeeld een zeurderige moeder en een ongeduldig kind). Aan volwassenen vraag ik er daarom nog  bij:

    • en hoe zijn de onderlinge relaties?

    Binnen die relaties reageren de rollen vanuit hun eigenschappen op elkaar. En dat wordt spannend wanneer het dramatisch conflict (Het Grote Vraagteken) dat alles in werking zet!

    Tenslotte: beseffen spelers (kinderen) het verschil tussen een karaktertrek en een stemming?
    Een karaktertrek is hoe je meestal bent, eigenlijk bijna altijd.
    Je stemming is maar even, het is hoe je op dat moment op een situatie reageert.
    Kijk maar: iemand die altijd maar treurig en sikkeneurig is (Iejoor bijvoorbeeld) kan best wel even een beetje blij zijn. Maar wanneer iemand die altijd vrolijk door het leven gaat nog eens een keertje extra blij wordt, nou, dan ziet dat er toch heel anders uit!

    Evaluatievraag na de vertoning: Welke eigenschap/karaktertrek heb je bij elke rol gezien? En:
     

    • Hoe reageerden de rollen op Het Grote vraagteken?
    • Heb je een mooi voorbeeld gezien, dat de rol vanuit de eigenschap reageerde?
    • Was die eigenschap te zien (fysiek gestalte geven van een rol) en te horen (stemgebruik)?
    • Verschillen de rollen voldoende om ieder een eigen rol te spelen?
    • Maken (sommige) rollen een ontwikkeling door?
    • Zijn er slechts enkele actief spelende kinderen, die de show stelen, vaak ten koste van anderen: en hangt de rest er doelloos bij? Of hebben alle rollen voldoende voeding vanuit hun eigenschappen om allemaal actief reagerend bij het verhaal betrokken te zijn? Dus: bij het dramatisch conflict/grote vraagteken?

    We hebben nu de twee belangrijkste kwaliteitmakers gehad: het dramatisch conflict en het spelen van een helder gekozen eigenschap bij iedere rol.

    Wat

    WAT is eigenlijk het verhaaltje onder het toneelstuk. De eenvoudigste verhaalstructuur is:

    • begin
    • verloop
    • eind

    Wanneer kinderen (en volwassenen) weinig spelervaring hebben geef ik die structuur ook in de opdracht: 'zorg dat je niet alleen weet hoe het toneelstukje begint, maar spreek ook het einde duidelijk af'. Dat laatst moeten kinderen echt leren.

    Wanneer je scherper kijkt is er nog meer aan die verhaalstructuur te beleven.

    Begin

    Vaak maak je eerst een beetje kennis met de situatie en de rollen. Het is vaak prettig om dat eerst neer te zetten, er hoeft niet meteen al iets spectaculairs te gebeuren.
    De vakterm daarvoor is expositie. Daarbij kan het prettig zijn om vanuit een helder openingsbeeld  te starten.
    Bij kinderen heb ik het gewoon over het begin.

    O - o - moment (motorisch moment)

    Na het begin, bij de start van het verloop  gebeurt er iets bijzonders: opeens wordt het dramatisch conflict (Het Grote Vraagteken)  zichtbaar. Het gaat nu spannend worden! Het is alsof de motor onder het toneelstuk opeens aanslaat, er komt meer vaart in het verhaal, het publiek raakt meer betrokken en denkt 'O - o, hoe loopt dat af?'.
    In de dramaturgie heet dit het 'motorisch moment'. Bij kinderen noem ik dit het 'O - o - moment', het moment dat die 'O - o, hoe loopt dat af'-vraag gaat spelen.

    Evaluatievraag na de vertoning: 'Wat was volgens jullie in dit stuk het o-o-moment?' Kijkers en makers realiseren zich dan:
     

    • wat het dramatisch conflict was, en
    • wanneer dat in hun spel een rol ging spelen,
    • en ook of het dramatisch conflict inderdaad het belangrijkste centrale gegeven in het verhaal was,
    • of dat het spel bijvoorbeeld eindeloos doorging terwijl de spanning al afgelopen was.

    Verloop

    Het verdere spannende verloop kan je eventueel verfijnen met:

    • ontwikkeling
    • crisis, of hoogte/dieptepunt
    • afwikkeling/oplossing

    Einde

    En dat brengt ons bij het slot, de afronding, met eventueel een mooi slotbeeld.
    Als het goed is wordt het stuk afgerond wanneer het dramatisch conflict opgelost is. Het kan belangrijk zijn om daar een duidelijke afspraak over te maken, zodat alle spelers inderdaad het spel afronden! Eindeloos theedrinken, samen nog een dansje doen, of opnieuw beginnen met vechten en achtervolgen - als de spanning is opgelost is dat niet meer interessant.

    Het verhaalstructuur van WAT is daarmee uitgebreid:

    • begin, met
      • openingsbeeld
      • expositie
    • motorisch moment (O - o - moment)
       
    • verloop, met
      • ontwikkeling
      • crisis of hoogte/dieptepunt
      • afwikkeling/oplossing
    • einde, met
      • slotbeeld

    WAT is daarmee een krachtig onderdeel van het toneelstuk geworden, waarin het dramatisch conflict ook zijn belangrijke rol kan spelen om kwaliteit te genereren. En die samenhang kan je aan kinderen leren!

    WAAR

    Het hele verhaal, dat de rollen met elkaar spelen, vindt ook ergens plaats: WAAR.
    Dat kan je met eenvoudige middelen aanduiden, of zó in je spel verwerken dat iedereen begrijpt waar het zich afspeelt.
    Bijvoorbeeld: wanneer je samen duidelijk staat te wachten, en één speler verzucht 'Zie je wel, die trein heeft alwéér vertraging' dan ben je kennelijk op een station.

    Op een natuurlijke manier de plek in je spel opnemen werkt altijd versterkend. Daar kan je de tijd ook automatisch in mee laten spelen: in de zomer sta je anders op het perron dan in de sneeuw.

    Belangrijk aandachtspunt is: een spelruimte is een ruimte waar je lekker kan bewegen. Met z'n allen aan een tafel zitten levert vaak dodelijk spel op, dat alleen bestaat uit het produceren van tekst, en niet uit interessante handelingen en emotionele ontwikkelingen. En lokt de opstelling ook open spel richting het publiek op? Niet dat je nooit met je rug naar het publiek mag staan, daar gaat het niet om, maar wel dat je het publiek toegang geeft tot de spelers en wat hen beweegt.
    Bijvoorbeeld: kijk je door een raam naar buiten? Zet dan een paar stoelen als 'vensterbank' vooraan neer, zodat het publiek de spelers echt ziet kijken, en dat kijken helemaal kan meemaken. Sta dus niet achteraan in een hoekje, met je gezicht verscholen voor het publiek.

    Tenslotte: ik realiseer me dat ik andere W's, zoals WANNEER of WAAROM nu weglaat.
    WAAROM heb ik vervangen door het dramatisch conflict/grote vraagteken.
    WANNEER stop ik terloops in WAAR: 'een spookhuis 's avonds laat' of 'bovenop een berg in de wintersneeuw' vind ik heel mooie omschrijvingen voor WAAR.

    Evaluatievraag na de vertoning: werd WAAR ook in het spel gebruikt? Bijvoorbeeld:
     

    • Speelde WAAR ook een rol in Het Grote Vraagteken, of had het verhaal net zo goed ergens anders kunnen gebeuren? En waarom dan toch op deze plek?
    • Kon je merken aan het spel van de spelers, dat ze op die plek waren: deden ze dingen die je alleen dáár zou doen?

    Middelen (spullen)

    Spullen zijn een enorme stimulans voor kinderspel, soms is het neerleggen van spullen al voldoende om de mooiste spelen te laten ontstaan.

    Bij kinderen noem ik de vakterm (leer)middelen gewoon 'spullen'.
    Allereerst is er natuurlijk de verkleedkist (is die er ook? anders: vanaf nu aanleggen!). Soms is dat de best denkbare invalshoek om kinderen ècht een rol te laten spelen! Hoedjes, petjes en allerlei accessoires zijn daarbij ook van onschatbare waarde.
    Maar ook maskers, poppen, schmink zijn hulpmiddelen.
    En tenslotte: materialen om een dekor mee te bouwen (zoals blokken, of gewoon tafels en stoelen).

    Tip: hoeden en hoofdluis zijn elkaars vijanden. Mocht je daar bang voor zijn, dan is een oplossing de hoedjes na gebruik enige dagen in een luchtdicht afgesloten plastic zak op te bergen...

    Het schema gebruiken

    Je kan het schema (Wie, Wat, ...) op twee manieren gebruiken:

    • Als basis voor het ontwerpen van spelopdrachten:
      • welke onderdelen vul je in als opdracht?
      • welke onderdelen moeten de kinderen dus zelf invullen?
      • geeft je opdracht voldoende stimulans voor kwaliteit, dus een goed dramatisch conflict en mooie rollen?

    Bijvoorbeeld: 'Het speelt zich 's nachts af in een huis met krakende traptreden en piepende deuren' (WAAR) kan bij kinderen met enige ervaring al voldoende zijn om de mooiste spookverhalen te laten ontstaan. Dan heb je dus eigenlijk maar één onderdeel van het schema ingevuld.
    Al kan het verstandig zijn om er aan toe te voegen: 'minstens twee uit jullie groepje spelen kinderen.' Dan wordt de opdracht dus: 'Twee kinderen zijn 's nachts alleen in een huis met krakende traptreden en piepende deuren...' (WIE + WAAR).

    • Als basis voor het evalueren van spelopdrachten:
      • waren alle onderdelen duidelijk aanwezig?
      • hoe droegen ze bij aan der kwaliteit?
      • is het slim een volgende les te besteden aan het verstevigen van een onderdeel uit het schema?

    Ik heb je hierboven om te beginnen vast wat algemene evaluatievragen gegeven.