1.2. Kwaliteit

© Walter Roozendaal - www.muzemuzette.com - en Janine Slijkhuis - www.janineslijkhuis.nl - klik hier voor meer informatie

‘We gaan voor kwaliteit‘ is ook een veel gehoord uitgangspunt, maar dat moet je vervolgens wel waar kunnen maken. De artistieke staf moet dan beschikken over een combinatie van vakkennis èn pedagogische vaardigheden, om bij kinderen kwaliteit te ontwikkelen. Is dit niet het geval, dan moeten ze werken vanuit een reëel beeld van hun eigen mogelijkheden, zoals ik hiervoor bij plezier beschreef.

Ik moet hier iets uitleggen.
De Unesco liet een onderzoek uitvoeren naar de cultuureducatie in een groot aantal landen. Eén van de conclusies was — en dat is verontrustend! — dat géén cultuureducatie beter is dan slechte cultuureducatie.
Slechte cultuureducatie ‘maakt meer kapot dan je lief is’.
Hoeveel mensen zijn er van overtuigd dat ze niet kunnen zingen? Of niet kunnen tekenen? Wanneer dàt het resultaat is van cultuureducatie, is de schadelijkheid van slechte cultuureducatie bewezen. Mensen afleren om ooit nog een potloodje op te pakken of in het bijzijn van anderen te zingen — dat kan nooit de bedoeling van een vereniging of het onderwijs zijn.
Ik werk met heel veel plezier aan het scholen en het ondersteunen van amateurs in hun werk met kinderen en jongeren. Ik doe dat al tientallen jaren in de volle overtuiging dat veel mensen dat heel goed kunnen, en zich daarin kunnen ontwikkelen.
De voorwaarde is wel, dat je steeds helder blijft zien wat het resultaat is van jouw gedrag bij een kind. Bij mij komt de mens vóór de kwaliteit.
Een plantje komt niet tot bloei door eraan te trekken, tegen te schreeuwen, of het de andere kant uit te sturen. Dat geldt ook voor leren zingen, spelen of dansen.
Ook als docent aan een conservatorium weet ik dat, hoe hoog de prestatiedruk ook is — alleen de allerbesten mogen hopen ooit het podium te bereiken — ik toch uit moet gaan van de student zelf, om deze uit te nodigen een volgende stap te zetten. En daar heb ik al mijn mensenkennis en vakkennis voor nodig. Zelfs daar geldt dus: eerst de mens, dan de kwaliteit.

Het leuke is dat je ontwikkelen en kwaliteit genereren een heel mooie bron van plezier kunnen zijn. Kwaliteit en plezier zijn dan elkaar aanvullende motoren voor een prachtig proces èn een schitterend resultaat.
Toch kunnen plezier en kwaliteit elkaar ook danig dwarszitten, wanneer bijvoorbeeld de ene speler zijn partij direct kent en een ander er heel lang over doet, maar wel gezellig mee wil doen. Niet iedereen die voor zijn plezier komt, wil dat plezier ook uit kwaliteit halen. De behoefte aan kwaliteit loopt dan te ver uiteen om met plezier te kunnen samenwerken.
Kennelijk is het belangrijk dat bestuur en artistieke staf weten wat ze echt bedoelen wanneer ze het hebben over zaken als plezier en kwaliteit, en hoe die twee zich tot elkaar verhouden.

Wanneer je ‘gaat voor kwaliteit’, geef je in het beleid de scholing van je artistieke staf een heldere plek. Je kunt ook kiezen voor een professioneel kader èn de financiële consequenties van die keuze.

Kwaliteitsverschillen tussen spelers zullen er ook altijd zijn. Hoe ga je daar mee om:

  • Hoe welkom zijn nieuwe onervaren spelers?
  • Stel je toelatingseisen?
  • Maak je alleen een voorstelling, of geef je ook scholing aan spelers?
  • Organiseer je groepen kinderen naar leeftijd of naar ervaring?
  • Hoe organiseer je die scholing naast de repetities? Bijvoorbeeld:
    • een jaarlijks scholings-en-samen-plezier-maak-weekend,
    • een korte workshopserie tussen twee producties in,
    • een aparte scholingsavond naast de repetitieavond,
    • aparte cursusgroepen waaruit je een productiegroep selecteert,
    • enzovoorts.